| Praatjes of plaatjes? / Muziekwereld | Bjorn Schipper, 1-4-2006 |
De fiscale artiestenstatus van DJ's als inzet van het politieke debat
Op zaterdag 21 oktober jl. vond tijdens het DJ en producer seminar (D3) in het kader van het door Buma Cultuur georganiseerde Amsterdam Dance Event (ADE) wederom het DJ Debat plaats. Dit door mij geïnitieerde debat kende dit jaar een fiscaal-juridische insteek. Met in het achterhoofd het voortschrijdende succes van het Nederlandse dance product en de grote werkgelegenheid die de dance sector met zich meebrengt, stond daarbij de vraag centraal of de huidige regelgeving voor DJ’s op het gebied van de loon- en omzetbelasting nog wel van deze tijd is. Deze kernvraag staat niet op zichzelf maar speelt al jaren een prominente rol in de discussies tussen enerzijds de fiscus en anderzijds de artiesten, organisatoren en hun belangenbehartigers, waaronder de Belangen Vereniging Dance (BVD). Met de landelijke verkiezingen en de parlementaire behandeling van het Belastingplan voor 2007 voor de boeg, is het DJ Debat, mede dankzij de exposure van het ADE, een goede “springplank” gebleken om de fiscale artiestenstatus van DJ’s weer op de politieke agenda te krijgen. In deze bijdrage sta ik stil bij het debat en de recente parlementaire ontwikkelingen.
Huidige regelgeving loon- en omzetbelasting
In de belastingspecial van Muziekwereld eerder dit jaar ben ik globaal ingegaan op de huidige diffuse status van DJ’s binnen de regelgeving op het gebied van de loon- en omzetbelasting[1]. DJ’s blijken niet of nauwelijks gedefinieerd te zijn. De fiscus merkt DJ’s vaak nog steeds niet als “volwaardige” artiesten aan. In het kader van de loonbelasting betekent dit dat DJ’s lang niet altijd onder de speciale artiestenregeling vallen. Het is dus twijfelachtig of over gages van DJ’s loonbelasting geheven moet worden en of DJ’s onder de sociale verzekeringen vallen. Bij de omzetbelasting geldt dat voor DJ’s ten opzichte van andere artiesten verzwaarde fiscale eisen gelden om onder de regeling van het verlaagde BTW-tarief (6%) te kunnen vallen. Alleen ingeval een DJ in een professionele studio zélf muziekwerken produceert én over hem of haar door collega’s in vakliteratuur artikelen of recensies worden geschreven, kan een DJ onder het verlaagde BTW-tarief vallen. Gevolgen van het fiscale beleid zijn verstoring van de concurrentieverhoudingen en rechtsonzekerheid voor zowel DJ’s als organisatoren van feesten en festivals. Met in het achterhoofd de mogelijkheden die het recht van de intellectuele eigendom ons biedt om de draaiprestaties van DJ’s (artiesten?!) te beschermen[2], is het de vraag of we vandaag de dag niet toe zijn aan een fiscale herdefiniëring van DJ’s.
DJ Debat: “Leuker kunnen ze niet draaien!”
Belastingadviseur Dick Molenaar (All Arts Belastingadviseurs) en de kamerleden Arda Gerkens (SP) en Boris van der Ham (D66) zijn in Felix Meritis onder mijn leiding met elkaar in debat gegaan over de status van DJ’s binnen het belastingrecht. Arda Gerkens, onder andere auteur van de initiatiefnota “Oorstrelend en hartveroverend” ter verbetering van de positie van de Nederlandse artiest, sloot zich aan bij de inhoudelijke kritiek van Dick Molenaar op de huidige fiscale regels voor DJ’s. Arda Gerkens stelde onder meer dat het niet aan de belastinginspecteur is om uit te maken of de ene DJ wel en de andere DJ niet als artiest gezien kan worden. Ook Boris van der Ham, onder andere auteur van het “D66 Dance Manifest” en pleitbezorger van minder betutteling van de dance sector en méér investeringen in dance, liet zich niet onbetuigd en viel het huidige arbitraire beleid van de fiscus ten aanzien van dance en DJ’s inhoudelijk aan. “De artiestenstatus voor DJ ’s moet er komen, zelfs al zou dat met een schot hagel bereikt moeten worden”, aldus Boris van der Ham. Op het gebied van de loonbelasting werd tijdens het debat een gezamenlijk pleidooi gehouden voor het recht op keuzevrijheid van DJ’s. DJ’s (maar bijvoorbeeld ook VJ’s) dienen door de fiscus per definitie als artiesten aangemerkt te worden om als zodanig onder de artiestenregeling te kunnen vallen. Indien DJ’s niet onder de artiestenregeling willen vallen en dus “zelfstandig” wensen te zijn, kan een zogeheten verklaring arbeidsrelatie met winst uit onderneming (VAR-WUO) uitkomst bieden. Het is aldus aan de DJ/artiest om hierin een keuze te maken. Men kiest óf voor het fiscale regime van de speciale artiestenregeling óf voor de normale “zelfstandigheid”. Dit schept voor de organisatoren meteen duidelijkheid. Wél zou ter voorkoming van gigantische naheffingen door de fiscus een soort “generaal pardon” gegeven moeten worden voor het verleden. De dance sector mag niet de dupe worden van het arbitraire beleid van de fiscus. De deelnemers aan het debat waren het er in het kader van de heffing van omzetbelasting over eens dat de verzwaarde fiscale eisen die aan DJ’s gesteld worden, per direct moeten worden afgeschaft. Optredens van DJ’s dienen per definitie onder het verlaagde BTW-tarief te vallen. Dit kan de Nederlandse (muziek) cultuur in het algemeen ten goede komen. Als we daarbij bedenken dat voor overige artiesten géén verzwaarde materiële eisen gelden, zorgt het bestaan van deze “DJ-voorwaarden” op zichzelf al voor rechtsongelijkheid. Inhoudelijk is op deze voorwaarden bovendien het nodige af te dingen. Zo zijn de “DJ-voorwaarden” geschreven voor producers van muziekwerken (niet zijnde DJ’s) en schepen ze de dance sector met een onnodig zware administratieve last die betrekking heeft op het verzamelen van publicaties over artiesten. Afschaffen dus! Het verbaast niet dat de publieksstemming aan het einde van het debat haast unaniem was: de huidige belastingregels voor DJ’s zijn niet meer van deze tijd! Arda Gerkens en Boris van der Ham lieten aan het einde van het DJ Debat weten al een motie ingediend te hebben en dat bij de parlementaire behandeling van het Belastingplan een hernieuwde aanzet gegeven zou worden voor erkenning van de fiscale artiestenstatus voor DJ’s en het schrappen van de huidige voor DJ’s en de dance sector geldende maar achterhaalde fiscale regels.
Wetgevingsoverleg en parlementaire behandeling
De vaste commisie voor Financiën heeft op 23 oktober jl. – twee dagen na het DJ Debat - met Minister Zalm van Financien overleg gevoerd over het Belastingplan 2007. Kamerlid Ewout Irrgang (SP) heeft tijdens dit overleg aandacht gevraagd voor de diffuse fiscale artiestenstatus van DJ’s en voorgesteld DJ’s per 1 januari 2007 fiscaal als artiesten aan te merken[3]. In reactie hierop zei Minister Zalm het volgende: “Er werd mij gevraagd of een DJ een artiest is. Volgens vaste rechtspraak is iemand een artiest als hij voor een publiek optreedt en daarbij een artistieke prestatie levert. Wij denken dat dit ook voor DJ’s kan gelden, als hij er tenminste een beetje een leuk nummer van maakt en niet alleen plaatjes opzet. In de meeste gevallen is naar mijn mening de DJ een artiest, tenzij hij niets zegt. Mijn standpunt wordt gevolgd door de Belastingdienst.” Kennelijk geschrokken van dit antwoord benadrukte Ewout Irrgang nog maar eens dat het hier om een serieus onderwerp gaat en dat een duidelijk antwoord op de kernvraag gewenst is. Minister Zalm lichtte zijn eerdere antwoord als volgt toe: “Waarbij ik opmerk dat iemand die alleen maar plaatjes opzet en verder niets zegt, geen DJ is. Dat is een DD, een diskdraaier, geen diskjockey.” In de ogen van de commissieleden zou Minister Zalm met deze uitspraken voldoende duidelijkheid hebben verschaft over de fiscale artiestenstatus van DJ’s. Een stemming over de motie leek niet meer nodig. En daarmee was de kous af.
Terug naar af: verbazing bij de dance industrie
Het duurde enige dagen voordat de notulen van het wetgevingsoverleg wereldkundig werden. Toen dat eenmaal gebeurd was, waren de rapen gaar[4]. Tot grote verbazing van dance minded Nederland, bleek Minister Zalm met zijn uitspraken de klok tientallen jaren terug gezet te hebben[5]. De sector lijkt terug bij af. Door nu een onderscheid te maken tussen grapjesmakers en plaatjesdraaiers, geeft de Minister impliciet aan Edwin Evers (fiscaal) artistiek hoger aan te slaan dan Armin van Buuren. Dit roept de vraag op wáár de Minister al die jaren heeft gezeten. Dat de Summer of Love uit 1988 hem ontgaan is, is nog tot daar aan toe. Maar dat de Minister anno 2006 nog steeds niet blijkt te weten wát een DJ doet – laat staan dat een zinnig antwoord gegeven kan worden op de kernvraag óf een DJ fiscaal gezien als artiest moet worden aangemerkt - mag hem beslist worden aangerekend. Enige kennis van het hedendaagse vaderlandse uitgaansleven is hem kennelijk vreemd. Ik volsta met een verwijzing naar de opkomst, het succes en de verdere professionalisering van de Nederlandse dance industrie in de afgelopen 20 jaar, de DJ’s in het bijzonder.
Kamervragen D66 en SP
Geschrokken van de uitspraken van Minister Zalm en na overleg met vertegenwoordigers uit de dance industrie, hebben de kamerleden Boris van der Ham en Ewout Irrgang aan de Ministers van Financiën en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) alsnog de volgende vijf – door mij samengevatte - kamervragen gesteld over de fiscale artiestenstatus van DJ’s:
1) Heeft de Minister tijdens het wetgevingsoverleg zijn standpunt over het optreden van DJ’s en de artistieke prestatie die geleverd moet worden gebaseerd op de toenmalige wetgevingsdefinitie van “artiest” of op voorbeelden uit de rechtspraak?
2) Is het juist dat bij het bepalen of een DJ een artiest is, uitsluitend een niet-artistiek oordeel nodig is van de Belastingdienst, en niet van de Raad van Cultuur of enig ander deskundig artistiek orgaan? Zo ja, acht de Minister de Belastingdienst dan in artistieke zin voldoende deskundig om zo’n oordeel te vellen tegen de achtergrond van het feit dat voor alle andere financiële overheidsbetrekking met de culturele sector de Raad van Cultuur wordt geraadpleegd?
3) Is de Minister het met de Belastingdienst eens dat een DJ alleen een artiest is wanneer hij af en toe iets zegt? Zo ja, waarop is dit artistieke oordeel dan gebaseerd en kan de Minister uitleggen of, en waarom in de huidige tijd met de huidige DJ/VJ scene deze definitie nog actueel is?
4) Hoeveel moet een DJ zeggen om artiest en géén platendraaier genoemd te worden?
5) Is de Minister bereid om deze kwestie samen met de Minister van OCW nog eens nader te onderzoeken om ervoor te zorgen dat DJ’s een gelijkwaardige positie aan andere artiesten krijgen, ongeacht hun artistieke stijl van werk?
Vanwege het verkiezingsreces zijn deze vijf vragen nog niet door de Ministers beantwoord. De antwoorden van de Ministers kunnen voer voor een interessant maar misschien ook tenenkrommend parlementair debat opleveren.
Naar een Ministerie van de Nacht?
In de tussentijd is het huidige arbitraire beleid van de fiscus nog steeds van kracht[6]. De dance sector blijft overgeleverd aan de grillen van de fiscus. De radio-DJ’s (die in deze kwestie nu juist niet centraal staan!) lijken met de uitspraken van Minister Zalm in de hand, vooralsnog de lachende derden te zijn. Het is te hopen dat de politiek na het reces op korte termijn serieus werk maakt van het in overeenstemming brengen van de fiscale regelgeving voor DJ’s met de artistieke praktijk van de nacht. Het veelgehoorde – maar oneigenlijke - argument van de bevooroordeling van discotheken als DJ’s per definitie fiscaal als artiesten worden aangemerkt en hun optredens onder het verlaagde BTW-tarief vallen, mag géén beletsel zijn om de fiscale regelgeving aan te passen aan de artistieke actualiteit. Het vasthouden aan een oubollige visie op de draaiprestaties van DJ’s mag naar mijn mening niet als zelfstandig middel ingezet worden om zo’n fiscaal bijeffect te voorkomen. De boodschap aan “Den Haag” mag duidelijk zijn: geef DJ’s hun fiscale artiestenstatus en verschaf duidelijkheid aan de gehele dance industrie! Maak een einde aan een achterhaald fiscaal beleid dat de export van een belangrijk cultureel exportproduct belemmert. Of moet hiervoor – in navolging van de Nachtburgemeester - éérst een speciaal Ministerie van de Nacht opgezet worden?
[1] mr. B.H.M. Schipper, “Leuker kunnen ze niet draaien. DJ’s als motor van de culturele infrastructuur”, Ntb Muziekwereld 2006/1, p. 18-20.[2] mr. B.H.M. Schipper, “Draaiwerk in uitvoering. Intellectuele eigendom op het werk van DJ’s”, Ntb Muziekwereld 2004/4, p. 44-45.[3] “Het zijn natuurlijk artiesten!”, aldus Ewout Irrgang tijdens het overleg. [4] Zie onder meer de artikelen van Ron van der Sterren, Atze de Vries en Thomas van Aalten zoals opgenomen in het digitale dossier over de fiscale artiestenstatus op 3voor12.nl.[5] Zo heeft de BVD op 2 november jl. naar aanleiding van de uitspraken van Minister Zalm in een persbericht haar bezorgdheid uitgesproken. [6] Feitelijk is er géén officieel beleid van de fiscus. Belastinginspecteurs oordelen verschillend over de vraag of DJ’s als artiesten moeten worden aangemerkt. Zie onder meer Fiscaal up to Date, 14 november 2006, nr. 45.

