HomeOns ontmoetenOnze cliëntenNieuwsColumnsVacatures & StageContact
Fotografenpodium
Bousie Advocaten biedt beginnende fotografen de kans hun werk te presenteren.
lees verder »
Livrijn / Boekblad
Wellicht overheen gelezen, de nieuwe businessmodellen duikelen over...
lees verder »
Leuker kunnen ze niet draaien / MuziekwereldBjorn Schipper, 1-1-2006


DJ's als motor van de culturele infrastructuur

Onlangs maakte Conamus bekend dat maar liefst de helft van alle Nederlandse muziek die in 2005 naar het buitenland is geëxporteerd, aan dance gerelateerd kan worden. Dit geeft aan dat Nederlandse dance producties het in het buitenland bijzonder goed doen. Denk aan de internationale successen van Nederlanders als Tiësto en Armin van Buuren. Waar de één zichzelf jarenlang ’s wereld beste DJ mocht noemen en zelfs tijdens de openingsceremonie van de Olympische Spelen in 2004 heeft gedraaid, staat de ander alweer klaar om het spreekwoordelijke stokje over te nemen.
 DJ’s spelen een belangrijke rol bij de wereldwijde verspreiding van het werk van producers, en zijn over de grenzen vaak hét gezicht van nationale dance producties. Zo bezien zijn DJ’s eigentijdse ambassadeurs ter bevordering van de muzikale export. Vreemd is het dan ook om te moeten constateren dat de fiscus diezelfde DJ’s anno 2006 nog steeds niet als volwaardige artiesten aanmerkt. In deze bijdrage sta ik stil bij de huidige regelgeving op het gebied van de loonbelasting en de omzetbelasting en ga ik nader in op de juridische houdbaarheid van het beleid van de fiscus. Is het niet de hoogste tijd om de huidige positie van DJ’s in het kader van de belastingheffing in overeenstemming met de werkelijkheid te brengen?

Afbakening: DJ’s en producers
Hoewel DJ’s en producers één en dezelfde persoon kunnen zijn, is dat lang niet altijd het geval. Alvorens in te gaan op de fiscale kwalificatie van DJ’s, dient een scherp onderscheid gemaakt te worden tussen DJ’s en producers. In deze context wordt onder DJ’s verstaan de DJ’s die optreden op (dance) feesten en festivals en die zich in de kern bezig houden met het draaien van DJ-sets, in het bijzonder het in een bepaalde creatieve volgorde aan elkaar draaien en (re)mixen van (veelal bestaande) muziekwerken zoals tracks, loops en sounds. Dit kan eigen werk of dat van anderen zijn. Radio-DJ’s die op de radio te beluisteren zijn en radioprogramma’s aan elkaar praten, vallen hier uitdrukkelijk niet onder. Producers zijn degenen die de (dance) muziekwerken in creatief opzicht maken, gelijk aan componisten en tekstdichters. Ook zijn het de producers die (veelal op verzoek) bestaande nummers remixen en bewerken tot nieuwe versies. Denk aan de erven van Elvis en grote artiesten als U2 en Madonna die haast in de rij lijken te staan om hun werk door Nederlanders dance producers te laten bewerken.  

DJ’s en loonbelasting
Voor de loonbelasting en sociale premies bestaat een aparte artiestenregeling waarvan de oorsprong in 1940 ligt. Samengevat komt deze bijzondere regeling er op neer dat feitelijk ‘zelfstandige’ artiesten die strikt juridisch gezien géén werknemer zijn, óók onder de reikwijdte van de loonbelasting vallen. Sinds 2001 geldt dat de bijzondere regels van de artiestenregeling niet van toepassing zijn op artiesten die wel een ‘gewone’ dienstbetrekking hebben.    Hoewel in de artiestenregeling het begrip artiest centraal staat, is dit in de regelgeving met betrekking tot loonbelasting nergens uitputtend inhoudelijk gedefinieerd. Uit de Wet op de Loonbelasting en de Besluitenlijst van de CCLSV[1] is een ‘versnipperde‘ definitie van artiest te distilleren: “degene die op basis van een kortdurende overeenkomst of op een andere grond kortstondig als musicus of op andere wijze als artiest optreedt”. Het moet daarbij gaan om het leveren van een artistieke prestatie tijdens een optreden dat direct of indirect door het publiek kan worden gezien of beluisterd. Waar geen twijfel bestaat over de vraag of dansers, cabaretiers of popmusici artiesten zijn in de zin van de loonbelasting, zijn DJ’s van oudsher twijfelgevallen. Uit oudere rechtspraak[2] valt op te maken dat indien DJ’s uitsluitend een zuiver technische prestatie leveren, zoals het draaien van platen, zij niet als artiesten worden aangemerkt. Het spreken van verbindende teksten tussen de platen door zou mogelijk wel tot de kwalificatie van artiest kunnen leiden[3]. Dit laatste duidt echter op de radio-DJ (en die staat in deze bijdrage nu juist niet centraal).   Geheel in de lijn van deze rechtspraak – DJ’s leveren meestal géén artistieke prestatie - is de fiscus er lange tijd vanuit gegaan dat DJ’s (op een enkele uitzondering na) met betrekking tot de loonbelasting géén artiesten zijn. 

DJ’s en omzetbelasting
Ook in het kader van de omzetbelasting (BTW) zorgt de kwalificatie van DJ’s voor fiscale hoofdbrekens. Ik merk daarbij op dat deze problematiek – anders dan bij de loonbelasting – niet op zichzelf staat, maar sterk is ingegeven door de opkomst en het volwassen worden van de dance sector in het algemeen. De discussie spitste zich aanvankelijk toe op de toepassing van het verlaagde BTW-tarief van 6% op entreegelden van muziek- en toneeluitvoeringen. Het verlaagde tarief is in 1998 ingevoerd en vormt – net als het 0% tarief voor het buitenland - een uitzondering op het algemene BTW-tarief van 19%. De gedachte achter de invoering van het verlaagde tarief is dat de culturele infrastructuur erdoor versterkt wordt en dat organisatoren van optredens van artiesten per saldo meer overhouden aan entreegelden. Grote vraag was of het verlaagde tarief ook toegepast kon worden op dance feesten en festivals. Fiscaal gezien zijn dance feesten en festivals evenementen, waarbij sprake is van zowel optredens van DJ’s als optredens van live-artiesten. Alles is erop gericht via de vermenging van live (dance) muziek en DJ-optredens muziek te creëren die het publiek aanzet tot dansen. De fiscus stelde zich primair op het standpunt dat op dergelijke evenementen het algemene BTW-tarief van 19% van toepassing is. Dit stuitte op veel onbegrip en verzet bij de dance sector.  In overleg met betrokken partijen heeft de fiscus vervolgens in 1999 een aantal objectieve en eenduidige criteria geformuleerd waaraan voldaan moet worden wil een organisator van een dance feest of festival het verlaagde tarief mogen toepassen op entreegelden. Het verbaast niet dat in deze door de fiscus ontwikkelde criteria DJ’s een centrale rol spelen. De fiscale nuance ziet op DJ’s die als professioneel uitvoerende artiesten werken. Daarvan is sprake als:   
·         van het werk van de betrokken DJ’s opnames worden gemaakt in een professionele studio welke opnames ook op platen en/of cd’s worden uitgebracht;
·         over het werk en de artistieke kwaliteiten van de betrokken DJ’s artikelen verschijnen in gerenommeerde vakbladen, geschreven door collega’s en/of vakgenoten;
·         de betrokken DJ’s niet in reguliere discotheken optreden, maar door poppodia geprogrammeerd worden die zijn aangesloten bij de NVPA[4]. 

Is voldaan aan deze drie cumulatieve voorwaarden, dan mogen de organisatoren van optredens van de betrokken ‘professionele’ DJ’s tijdens dance feesten en festivals het verlaagde BTW-tarief toepassen. De fiscus neemt hierbij tot uitgangspunt dat muziekfestivals in hun totaliteit als muziekuitvoering moeten worden aangemerkt en dat de prestaties van DJ’s in beginsel niet zijn te rangschikken onder het verlaagde BTW-tarief, tenzij voldaan is aan de hiervoor gestelde voorwaarden.
 De fiscus ontdekte al vrij snel dat het derde criterium niet aansloot bij de (dance) praktijk, met als gevolg dat deze eis in 2000 is komen te vervallen. Tot op de dag van vandaag gelden de eerste twee criteria voor organisatoren van dance feesten en festivals. Sinds 2002 dienen ‘professionele’ DJ’s het verlaagde BTW-tarief óók toe te passen op de gages die verband houden met hun optredens. Voor minder bekende DJ’s geldt het algemene BTW-tarief.  

Recente rechtspraak: fiscale haarscheuren
De door de fiscus in 1999 ingezette beleidslijn ten aanzien van DJ’s en de organisatoren van (dance) feesten en festivals voor de toepassing van het verlaagde BTW-tarief is door recente rechtspraak onder druk komen te staan. In 2003 heeft het Hof Den Haag[5] uitgemaakt dat de dienst waarbij zowel live-artiesten als DJ’s in een horecagelegenheid optreden, het karakter heeft van een voorziening waarbij toegang wordt verleend tot muziekuitvoeringen. Op zo’n evenement is het verlaagde BTW-tarief van toepassing. Verder heeft het Hof geoordeeld dat de prestaties van DJ’s als culturele prestaties zijn aan te merken en als zodanig niet mogen worden uitgesloten van het verlaagde BTW-tarief.  In 2004 heeft het Hof Den Haag[6] zich nogmaals moeten buigen over de fiscale problematiek rondom DJ’s die optreden in een uitgaansgelegenheid waarbij hun werk vermengd wordt met de creatieve uitingen van kunstenaars zoals VJ’s (videojockeys), pantominespelers en toneelspelers. Het Hof stelde vast, dat onze wetgever met de invoering van het verlaagde BTW-tarief een ruime toepassing voor ogen heeft gehad daar waar het gaat om dienstverlening op het gebied van cultuur en vermaak. Hieruit volgt dat het verlaagde tarief niet alleen ziet op de in de wet genoemde muziek- en toneeluitvoeringen, maar ook op het verlenen van toegang tot evenementen die naar maatschappelijke opvattingen kunnen worden beschouwd als een show of een soortgelijk cultureel evenement (zoals dance feesten en festivals). Het Hof laat er vervolgens geen twijfel over bestaan dat de uitgaansgelegenheid in kwestie tot die laatste groep behoort. Het argument van de Belastinginspecteur dat de betrokken optredens van DJ’s ‘slechts’ de entourage vormen, is door het Hof verworpen met de overweging dat bezoekers de entreeprijs betalen juist met het doel om zich door de optredens van DJ’s te laten vermaken.     

Fiscale herdefiniëring DJ’s
Slotsom is dat de restrictieve interpretatie van de fiscus, ten aanzien van de dance sector en DJ’s in het bijzonder, achterhaald is. De huidige diffuse status van DJ’s in de belastingheffing leidt tot (rechts)onzekerheid en veroorzaakt veel onduidelijkheden. Bovendien raken hierdoor de concurrentieverhoudingen in de dance sector verstoord. Er bestaat behoefte aan een (hernieuwde) fiscaal inhoudelijke kwalificatie van DJ’s die beter aansluit bij de huidige tijd, waarin dance en DJ’s voor een groot deel de entertainment markt dicteren. Ik pleit er dan ook voor om – met inachtneming van de begripsafbakening die aan het begin van deze bijdrage is gemaakt – DJ’s expliciet onder het fiscale artiestenbegrip te laten vallen. Mogelijk dat bij het formuleren van deze broodnodige herdefiniëring aangeknoopt kan worden bij de omschrijving van DJ-sets.  

Afschaffing fiscale DJ-criteria
In vergelijking met andere uitvoerende kunstenaars zoals musici en toneelspelers stelt de fiscus naar mijn mening aan DJ’s ten onrechte verzwaarde materiële eisen. Deze ‘DJ-criteria’ dienen daarom afgeschaft te worden. Zo zadelt het huidige systeem – praktisch gezien - de dance sector op met een omvangrijke administratieve last. Organisatoren en DJ’s worden gedwongen om databases aan te leggen met gegevens over optredens, uitgebrachte nummers en ‘officiële’ publicaties over zichzelf en hun werken. Met het verdwijnen van dance bladen als Bassic Groove, SLAM! Magazine en Release Magazine valt dit anno 2006 niet mee. Mogelijk dat recensies op websites als Partyscene.nl, Partyflock.nl, Phono.nl, Love2party.nl en Djguide.nl ook mee mogen tellen, maar toch.  Ernstiger is de materiële begripsverwarring. In de criteria van de fiscus worden DJ’s ten onrechte op één lijn gesteld met producers. Hoewel vaak in één persoon belichaamd, creëren beide kunstenaars verschillende werken, respectievelijk DJ-sets en (losse) muziekwerken.  Dát DJ’s ook in het kader van de belastingheffing als volwaardige artiesten/kunstenaars moeten worden aangemerkt volgt eveneens uit de intellectuele eigendomsrechtelijke analyse van het draaiwerk. In een eerdere bijdrage voor Ntb Muziekwereld[7] heb ik beargumenteerd dat de door DJ’s gedraaide DJ-sets voor zowel auteursrechtelijke als nabuurrechtelijke bescherming in aanmerking kunnen komen. DJ’s zijn draaikunstenaars en leveren een culturele prestatie. Waarom DJ’s dan ook niet voor de belastingheffing als volwaardige artiesten beschouwen? Daarbij komt nog dat de geldende fiscale ‘DJ-criteria’ organisatoren van dance feesten en festivals feitelijk ertoe bewegen om alleen gerenommeerde en bekende DJ’s voor hun evenementen te boeken. Deze DJ’s voldoen immers aan de twee fiscale voorwaarden, zodat het verlaagde BTW-tarief mag worden toegepast. Deze ontwikkeling gaat ten koste van de doorstroom van jong DJ-talent dat staat te trappelen om te kunnen draaien op dance feesten en festivals. Dit heeft tot gevolg dat de culturele ontwikkeling in de dance sector wordt geremd. In mijn optiek is dat niet de bedoeling van een fiscale regeling die juist geschreven is om de culturele infrastructuur te versterken.  Fiscale herdefiniëring van DJ’s en afschaffing van de fiscale ‘DJ-criteria’ leiden er toe dat DJ’s per definitie onder de reikwijdte van de speciale artiestenregeling vallen en dat iedere organisator van een dance feest of festival het verlaagde BTW-tarief op het entreegeld mag toepassen. Waar DJ’s haast niet leuker meer kunnen draaien, is het de beurt aan de fiscus om het de dance sector wat makkelijker te maken!


[1] Commissie Coördinatie Loonbelasting en Sociale Verzekeringen.
[2] Zie onder meer CRvB 1 november 1977, VN 1983/1849 en Hof Den Haag 24 september 1981, BNB 1983/83.
[3] Zie onder meer mr. D. Molenaar in Nieuwe Praktijkgids Artiest & Recht 2004/2005, p. 57, Kluwer.
[4] Nederlandse Vereniging voor Poppodia in Amsterdam.
[5] Hof Den Haag 11 september 2003, Infobulletin 2003/967.
[6] Hof Den Haag 5 november 2004, LJN: AS4472, BK-03/00671.
[7] mr. B.H.M. Schipper, “Draaiwerk in uitvoering. Intellectuele eigendom op het werk van DJ’s”, Ntb Muziekwereld 2004/4, p. 44-45.