| Je staat er mooi op... / Muziekwereld | Bjorn Schipper, 1-3-2006 |
Bescherming van het artiestenportret
In mijn bijdragen in Muziekwereld 2005/XX en Muziekwereld 2006/XX stonden de juridische bescherming van respectievelijk het werk van artiesten (DJ’s) en artiestennamen centraal. Dit keer concentreer ik mij op het artiestenportret. Wat is een portret en hoe en waartegen wordt dit portret juridisch beschermd? Naast het in onze Auteurswet 1912 geregelde portretrecht sta ik stil bij portretmerken, de commune bescherming tegen een door een ander gepleegde onrechtmatige daad en de contractuele mogelijkheden om het gebruik van het artiestenportret te regelen.
Wat is een portret?
Alvorens stil te staan bij de bescherming van het portret, is het eerst zaak om vast te stellen wat er nu precies onder een portret kan worden verstaan. Logischerwijs is dat de afbeelding van het gelaat van een persoon. Er is echter méér. Ook herkenbare gelaatstrekken of een kenmerkende lichaamshouding van een persoon, ja zelfs een look-alike[1] kan juridisch als een portret beschouwd worden. Recente rechtspraak van ons hoogste rechtscollege, de Hoge Raad, wijst erop dat voor herkenbaarheid een prominenter rol is weggelegd bij de vaststelling of sprake is van een portret. Het gaat erom of een persoon aan de hand van één of meerdere lichaamskenmerken door derden is te identificeren als die persoon. Denk bijvoorbeeld aan (een gedeelte van) de silhouetten van de Blues Brothers of de typerende lichaamshouding of gelaatstrekken van Mick Jagger. Het maakt overigens niet uit op welke wijze het portret is vervaardigd. Fotografisch, gefilmd, gebeeldhouwd, getekend of geschilderd, er is steeds sprake van een portret. Juridisch gezien is portret aldus een ruim begrip.
Portretrecht
Hoe zit het nu met de bescherming? Te beginnen met het ‘normale’ portretrecht dat (vreemd genoeg) is geregeld in onze Auteurswet 1912 (Aw). De wet maakt een onderscheid in al dan niet in opdracht gemaakte portretten. Voor wat betreft in opdracht gemaakte portretten geldt dat de bevoegdheden van zowel de maker ervan als de geportretteerde wettelijk vastgelegd zijn. Kort gezegd komt het erop neer dat de geportretteerde of diens nabestaanden het portret zélf vrijelijk ten behoeve van zichzelf mogen reproduceren. De maker van het portret mag op zijn beurt het portret alleen met voorafgaande toestemming van de geportretteerde of diens nabestaanden publiceren. Deze regel geldt tot tien jaar na het overlijden van de geportretteerde. De tweede categorie zorgt in de praktijk voor de meeste geschillen en betreft de niet in opdracht gemaakte portretten. Het in de openbare ruimte maken en vastleggen van een portret zonder dat daartoe opdracht is verstrekt is in het normale geval toegestaan. Anders wordt het als door de eigenaar van een ruimte aan bezoekers huisregels worden gesteld voor het maken van audiovisuele opnamen. Zo is het doorgaans niet toegestaan om zonder accreditatie in de Amsterdam Arena opnames te maken van een concert van Madonna. Het publiceren van een niet in opdracht gemaakt portret is gebonden aan de grenzen die wet en rechtspraak daaraan stellen. Publicatie is niet toegestaan voor zover de geportretteerde een redelijk belang heeft om zich hiertegen te verzetten. Een redelijk belang is in de eerste plaats aanwezig als de privacy van de geportretteerde aangetast wordt door de publicatie van het portret. Denk bijvoorbeeld aan de door paparazzi vanaf de straat gemaakte foto’s van Paul de Leeuw met zijn kroost in zijn eigen woonkamer. Daarnaast kan een redelijk belang gelegen zijn in de verzilverbare populariteit van de geportretteerde. Hiervan is sprake als de populariteit van de geportretteerde een commerciële exploitatie mogelijk maakt. Dit commercieel getinte portretrecht ziet onder andere op artiesten en topsporters. Redenering is dat artiesten of topsporters moeten kunnen delen in het financiële voordeel en het niet hoeven toe te staan dat hun portret voor commerciële doeleinden (reclame of merchandise) wordt gepubliceerd zonder dat zij hiervoor een vergoeding ontvangen. Zo kon een bekende vrouwelijke DJ zich (achteraf) op basis van haar portretrecht verzetten tegen uitzending op TV van een live optreden zonder dat zij hiervoor voorafgaande toestemming had verleend. Het optreden van de DJ bleek voor de TV-zender een trigger om reclameboodschappen te verkopen en om zoveel mogelijk kijkers te trekken. Schadeplichtigheid voor de voor de opnamen verantwoordelijke partij was het gevolg. Ik besluit het ‘normale’ portretrecht met de kanttekening dat het vereiste van toestemming inhoudt dat ook écht voorafgaande toestemming van de geportretteerde verkregen moet worden tot openbaarmaking van zijn portret. Toestemming is niet hetzelfde als het geven van een opdracht daartoe. Het geven van toestemming betekent dat expliciet overeengekomen wordt dat de geportretteerde voor de afgesproken doeleinden afstand doet van zijn recht om zich te verzetten tegen (latere) publicatie.
Portretmerken
Een manier om – naast het hiervoor behandelde (portret)verzetsrecht – een artiestenportret te beschermen, is de registratie ervan als merk. Dit worden portretmerken genoemd. Een globale blik in de merkenregisters leert ons dat er niet bijster veel (artiesten)portretmerken bestaan. Voorbeelden zijn Catherine Keyl[2], Katja Schuurman en André Rieu. Het geringe aantal geregistreerde portretmerken kan verband houden met de daaraan klevende merkenrechtelijke haken en ogen. Zo moet het portret in de praktijk ook écht als merk gebruikt worden, dat wil zeggen als teken ter onderscheiding van bepaalde waren of diensten. Het is de vraag of de afbeelding van het portret van André Rieu op de cover van een CD ook daadwerkelijk gebruik van het merk is. Het duidt er eerder op dat sprake is van het afbeelden van de betreffende persoon, de artiest André Rieu. Daarbij komt nog dat het menselijke portret doorgaans geen vast gegeven is. Veranderingen in het menselijke gelaat kunnen in de loop der tijd tot gevolg hebben dat tussen het geregistreerde portret en het werkelijke portret afstand gaat ontstaan. Het is dan de vraag of het portretmerk nog wel op normale wijze gebruikt wordt. Registratie van het portret van bijvoorbeeld Anthony Kiedis van de Red Hot Chili Peppers mét zijn lange haar impliceert niet dat het portretmerk vandaag de dag (Anthony Kiedis met kort haar) nog op normale wijze gebruikt wordt. Aan portretmerken kleeft aldus in de tijd een intrinsiek gevaar van ‘portretverwijdering’.
Onrechtmatige daad Artiestencontracten
Onlangs maakte Conamus bekend dat maarliefst de helft van alle Nederlandse muziek die in 2005 naar het buitenland is geëxporteerd aan dance gerelateerd kan worden. Dit geeft aan dat Nederlandse dance producties in het buitenland bijzonder goed gewaardeerd worden. Denk aan de internationale successen van Nederlanders als Tiësto en Armin van Buuren. Waar de één zichzelf jarenlang ’s wereld beste DJ mocht noemen en zelfs tijdens de openingsceremonie van de Olympische Spelen in 2004 heeft gedraaid, staat de ander alweer klaar om het spreekwoordelijke stokje over te nemen.
Toekomst
De BEO biedt een goede basis voor discussie over tal van in het contract geregelde onderwerpen rondom de exploitatie van artiesten en hun repertoire. De BEO verruimt het spectrum van samenwerking waarover door exploitanten en artiesten onderhandeld kan worden over. Exploitanten zullen nog meer met elkaar moeten gaan concurreren, óók op gebieden die vroeger niet tot hun standaard exploitatiepakket behoorden. Zo bezien kunnen de New Deals van deze tijd de entertainmentmarkt inspireren. Hier schuilt ook meteen het gevaar van de nieuwe standaard. De New Deals met bekende artiesten zijn veelal top-down opgesteld, uitgaande van een aanzienlijk sterke onderhandelingspositie van de artiest. Bij (aankomende) artiesten is aannemelijk dat de contractuele weegschaal sneller doorslaat in de richting van de exploitant. Waakzaamheid bij deze nieuwe standaard is dus geboden. Juridische én bedrijfseconomische bijstand zijn voor (aankomende) artiesten noodzakelijk, en wel vóór het sluiten van de overeenkomst. Redenerend vanuit een underdog positie zal op voorhand minder contractueel terrein aan exploitanten prijs kunnen worden gegeven, in het bijzonder op het gebied van de intellectuele eigendom, de ‘gouden eieren’ van iedere artiest.
[1] Waar wijlen Sylvia Millecam er in 1994 niet in slaagde in haar poging zich te verzetten tegen publicatie van een gegrimeerde look-alike (Vzr. Rb. Amsterdam, 22 december 1994, AMI 1995/7), had Katja Schuurman in 2005 aanzienlijk meer succes (Vzr. Rb. Breda).[2] Een beroep op haar portretmerk inzake een zondoorlatend badpak mocht Catherine Keyl in 1997 niet baten (Vzr. R. Amsterdam, 18 december 1997, IER 1998/2).

