| Advocaatje, leef je nog / Spits | Sander Dikhoff *, 9-9-2010 |
De advocaat mag een hoop dingen niet: jokken, gesprekken opnemen, iemand stiekem op de speaker laten meeluisteren, iemand zonder diens advocaat onder druk zetten of zelfs maar benaderen en nog ontelbaar veel andere dingen meer.
Ik ga natuurlijk bijna nooit om met niet- advocaten, maar ik neem aan dat u dat soort dingen met gezonde regelmaat doet. Ik leg u even een recent advocaten tuchtrecht gevalletje voor. Wel grappig, benieuwd wat u ervan vindt.
Een mevrouw zit vast op het politiebureau en moet zich legitimeren. Ze is echter haar legitimatie vergeten en belt een goede vriend, die toevallig advocaat is (goeie keus!).
Die vriend komt langs, legitimeert zich als advocaat en doet volgens de politie en de hulpofficier behoorlijk irritant. Vanaf dat moment lopen de lezingen van de advocaat en de hulpofficier uiteen. De tuchtrechter volgt de lezing van de officier omdat die wordt ondersteund door de agenten (niet verrassend).
Maar goed, de tuchtrechter overweegt onder andere dat de advocaat “bij binnenkomst op het politiebureau de verdachte in ieder geval heeft gezoend op haar wangen in aanwezigheid van de politie”. En weet u wat de tuchtrechter daarvan vindt? Als volgt: “De raad is van oordeel dat verweerder (lees: de advocaat) door het zoenen van de verdachte niet de afstandelijkheid in acht heeft genomen die mag worden verwacht van een advocaat die beroepshalve contact heeft met een verdachte, ook al is hij met deze persoon bevriend.”
De tuchtrechter vindt dat de advocaat zich niet heeft gedragen zoals een behoorlijk advocaat betaamt. De advocaat heeft zich gedragen op een wijze die het vertrouwen in de advocatuur heeft beschaamd. De klacht wordt gegrond verklaard.
Pittig zeg, en dat voor een paar keer zoen op wang. Ok, vooruit, hij had misschien ook wat gedronken en een verzoek tot verlaten van het bureau genegeerd en ook wat gelogen hier en daar en eveneens het onderzoek gefrustreerd. Maar dan nog. Er was dus genoeg munitie om hem te sanctioneren. Daar was het argument van “te amicaal gedrag” niet voor nodig.

